Close

Farid Tabarki

Het einde van het midden

Farid Tabarki is tijdgeestonderzoeker, wereldreiziger en oprichter van Studio Zeitgeist, die maatschappelijke, technologische en economische veranderingen hanteerbaar maakt voor bedrijven en instituties.

In dit boek beschrijft hij hoe in een vloeibare samenleving het midden geen plek meer heeft. Dit midden verdwijnt of moet zich helemaal opnieuw uitvinden. De reisagent en de platenbons kunnen daar al langer over meepraten, maar nu moeten ook de ondernemer, de HR-manager, de ambtenaar en de docent eraan geloven. Hun rol verandert sneller dan ze zelf misschien vermoeden.

Tabarki verbindt in dit boek drie tendensen waarin een traditioneel midden ten onder gaat. Ten eerste worden veel tussenpersonen zoals winkeliers en makelaars overbodig en wordt hun rol overgenomen door slimme onlineplatforms. Ten tweede verdwijnen veel banen, juist in het middenkader, vaak vanwege technologische ontwikkeling. De nationale staat, ten slotte, boet aan belang in ten gunste van het lokale en internationale niveau.

De combinatie van technologische en sociale ontwikkeling zorgt ervoor dat de veranderingen hard gaan. Individuen en organisaties, zowel bedrijven als instituties, kunnen buigen of barsten. Dit boek geeft naast een analyse ook praktische ideeën en voorbeelden van verandering.

Uitgeverij Atlas Contact

Taal Nederlands

Boeklancering

 

Bekijk Video

Moet je gelezen hebben. In een hele toegankelijke stijl tekent Farid Tabarki een aantal ontwikkelingen die het leven drastisch gaan veranderen. Het is een boek dat te denken geeft, dat je meeneemt omdat het goed geschreven is en makkelijk leest. Het blijft niet steken in een analyse maar geeft praktische voorbeelden en suggesties.

– A. de Jong

Recensie

De schrijver neemt je mee in het proces van herontdekken. Een eye opener vwb ons nog te wachten staat. Wees er snel bij want morgen is het allemaal anders!

– nihof

Recensie

De uitslag van het Oekraïne-referendum maakt het boek ‘Het einde van het midden’ van Farid Tabarki verrassend actueel. Voor traditionele politieke partijen is de opkomst van de extremen in dit internettijdperk vooral heel slecht nieuws.

– Thijs Broer

Recensie

Leestip: Het einde van het midden van farid tabarki -In deze roerige tijden zeer relevant!

– Maarten Verkoren (@verkoren)

Mooie presentatie 'Einde van het midden' van @faridtabarki @De_Zwijger. @Jet_Bussemaker sprak over noodzaak '21ste-eeuwse verheffingsslag'.

– Annemiek Leclaire (@LeclaireA)

Interessant thema; het einde van het midden (op vele vlakken) https://dezwijger.nl/programma/boeklancering-farid-tabarki/ …

– Quintin Schevernels (@Quintin24, 18 Feb)

#heteindevhmidden van @faridtabarkiNL aan het lezen. Wat word ik daar blij van! #therealdeal #ontopoftheworld

– Rosa Romeyn (@RosaRomeyn, 12 March)

Jet Bussemaker gaat nog met meer energie haar “verheffingsagenda van de eenentwintigste eeuw op de kaart zetten.” Het boek ‘Het einde van het midden’ van Farid Tabarki blijkt voor haar zowel aansporing als punt van zorg.

– Klaas-Wybo van der Hoek (10 March 2016)

Recensie

Tabarki deed zijn verhaal op de radio, toen ik onderweg was van de ene vergadering naar de andere. Ik herkende wat hij zei. Vaste structuren en instellingen die we al decennialang kennen, verliezen terrein. Ook onze manier van werken zal veranderen, zei hij. ‘Zo doen we dat toch altijd’ is niet meer genoeg.

– Thijs Cuijpers

Recensie

In dit boek werkt Farid (full disclosure: ik ken hem goed) dit onderwerp verder uit, met een opvallend genuanceerd resultaat. Hoewel radicale trends en ontwikkelingen centraal staan (komst van een nieuwe mens, natiestaat overbodig, de omni-presente technologie) zijn Farids oplossingen en aanbevelingen zeer gematigd. Dat is verfrissend in een tijd waarin overspannen verwachtingen van de toekomst hun weg vinden naar het grote publiek. In dit boek geen blind geloof in ‘exponentiele organisaties’ en naïef vertrouwen in de komst van een ‘tijd van overvloed’.

– Pepijn van Dijk (1/2)

Niet bevreesd voor een open einde Farid eindigt in stijl, met de volgende woorden: ‘dit vergt intelligente oplossingen, wellicht zelfs een radicale koerswijziging’. De toekomst zal het leren.

– Pepijn van Dijk (2/2)

Recensie

Columns

Diopticon

7 april 2016 – Vroeger stalden corrupte politici en drugsbaronnen hun miljarden op de Kaaiman- of Maagdeneilanden. Deze praktijk was voor de goegemeente volledig ondoorzichtig. Tegenwoordig is het voor de kleine krabbelaar net zo gemakkelijk om dubieuze financiële constructies op te zetten als het voor journalisten is om erachter te komen. Dat bewijzen de Panama Papers. Daaruit blijkt dat er bijvoorbeeld op creatieve wijze is gegoocheld met contracten waarbij ex-voetballer Clarence Seedorf was betrokken. Het draaide om zes ton, toch geen schokkend bedrag, en u en ik kennen de details.

Je kunt een parallel trekken met de aanslag op Zaventem. Het duurde lang voordat CNN en de Belgische televisie beelden vertoonden van de terminal. Van buiten, waardoor je niks zag, en ze werden eindeloos herhaald. Via de app Periscope kon ik al na een paar minuten inloggen op een flink aantal livestreams van mensen die vanuit de terminal filmden met hun telefoon.

De oude orde, waarbij weinigen de middelen in handen hebben om velen onder controle te houden, lijkt op het panopticon van de Britse filosoof Jeremy Bentham. In zijn oervorm is dit een gevangenis, rond met langs de rand de cellen van gevangen die elkaar niet kunnen zien. In het midden houdt de cipier over allen (pan-) toezicht (-opticon).

De Franse filosoof Michel Foucault beschreef het panopticon als metafoor voor macht. Het cameratoezicht in de publieke ruimte is een sprekend voorbeeld. Soms letterlijk: in Edinburgh kun je op straat worden toegesproken door een agent die via de camera ziet dat je een overtreding begaat en de ingebouwde luidspreker gebruikt.

Zowel de Panama Papers als Periscope tonen de zwakte van het panopticon. Steeds vaker kunnen de velen de velen zien, een nieuwe ordening die ik het ‘diopticon’ noem. Het Griekse voorvoegsel dia betekent ‘door’ of ‘doorheen’ en benadrukt het belang van de verbindingen tussen individuen. Die komen sneller tot stand omdat we, vooral door technologie, steeds minder afhankelijk zijn van tijd en plaats. Op Instagram is Dordrecht even ver weg als Timboektoe. Een zzp’er opereert met zijn laptop tegelijk in Amsterdam, in Europees verband en op wereldschaal.

In het diopticon krijgt de overheid het moeilijk. Vergunningsstelsels voldoen niet meer, een miljoen zzp’ers werken buiten de cao om en bedrijven, ook kleine, zoeken wereldwijd naar de beste lokale deal.

De Raad van State signaleert in zijn jaarverslag dat de politiek te snel draagvlak zoekt en zich te weinig afvraagt wat kan en mag. De rechtsstaat komt in gevaar. In het diopticon zijn burgers echter beter in staat zélf hun samenleving te boetseren. De overheid kan zich beter richten op het handhaven van de spelregels. Als de velen de velen bekijken, moet de overheid dus juist terug naar haar roots.

Alles van waarde

10 maart 2016 – In de Hitchhiker’s Guide to the Galaxy van Douglas Adams belandt de hoofdpersoon in een enorm ruimteschip. Hier stuit hij op miljoenen sarcofagen met de ingevroren lichamen van televisieproducers, verzekeringsagenten, personeelsmanagers, telefoonreinigers, creative directors, pr-adviseurs en managementconsultants. Het zijn de nuttelozen van de planeet Golgafrincham die door hun soortgenoten met een smoes de ruimte in zijn gestuurd.

Science fiction is een prettig genre waarin, onder het mom van een ‘galaxy far far away’ en met een dosis ‘techno-babble’, de mensheid een spiegel wordt voorgehouden.

Adams raakt een gevoelige snaar. Tegenwoordig gaat de middenmoot het (ruimte)schip in. Socioloog Saskia Sassen becijferde in haar boek Expulsions dat 65 % van de verdwenen banen in 2008 middenklassebanen waren; van de nieuwe banen behoort slechts 25% hiertoe.

Frans Blom van de Boston Consultancy Group denkt dat er twee typen werknemers overblijven. ‘Zij die mee kunnen komen in de internationale vaart der volkeren’, de technologisch-creatieve leiders. En zij die lokale, niet-verhandelbare diensten aanbieden, zoals kappers, ziekenverzorgers en bouwvakkers. Veel goed opgeleiden zakken vanuit het midden af naar de onderkant van de arbeidsmarkt.

Zijn deze mensen daardoor minder waard? Lucebert dichtte: ‘Alles van waarde is weerloos’. Misschien moeten we Lucebert ontkennen en wat van waarde is, juist weerbaarder maken. Maar hoe?

Begin 19de eeuw zochten de Engelse Luddieten de oplossing in het verwerpen van technologie. Ik keer het om: juist door technologie te omarmen en samen met techniek op te trekken, kunnen we de winnende banen van de toekomst creëren. Juist mét techniek is de mens op zijn vindingrijkst. Schaakcompetities laten dat zien: niet de grootmeester of de snelste computer wint, maar een team van mens én computer.

Hiervoor moeten mensen niet proberen computers te evenaren, maar juist heel menselijk blijven. Daarvoor kan ‘Bildung’ dienen, een begrip van de Duitse filosoof Wilhelm von Humboldt (1767-1835). Volgens hem kan een combinatie van kennis, moreel oordeel en kritisch denken jonge mensen wapenen voor de toekomst. Hedendaagse pleitbezorgers van Bildung in het onderwijs, onder wie minister Jet Bussemaker, wijzen op de actualiteit van het begrip, als tegengeluid tegen de hokjesgeest van ons onderwijssysteem en onze economie.

Problemen van en oplossingen voor het midden. Het is een fascinerend thema. Geen science fiction, maar non-fictie, waar veel filosofen hun hoofd over kunnen breken. En waarin robots van de menslievende soort hun rol zullen spelen.

Voodoo

21 januari 2016 – De Marché des Féticheurs in de Togolese hoofdstad Lomé, beter bekend als de Voodoomarkt, is een van de griezeligste plekken op aarde. Vers afgehakte chimpanseehoofdjes liggen er te drogen in de zon, en een mengsel van Chanel nr. 5 met vermalen kameleon is te koop als liefdesdrankje.

Voodoo is een wereldgodsdienst: het is een officiële religie van het Caribische Haïti en het West-Afrikaanse Benin, een buurland van Togo. De bijbehorende geneeskunst bedient zich van talloze fetisjes, waarvan in Lomé stalletje na stalletje de luguberste exemplaren hoog zijn opgetast.

West-Afrika heeft behalve religieuze fetisjes ook een overdrachtelijke: olie. In Nigeria is het zwarte goud goed voor 65% van de overheidsinkomsten. Ghana, een ander buurland van Togo, is een relatieve nieuwkomer met 106.000 vaten per dag in 2014. Nu de olieprijs onder de $ 30 per vat is gezakt, moeten de rillingen de Afrikaanse leiders over de rug lopen. Het zuidelijker gelegen, olierijke Angola heeft al een overheidstekort van 4%. Naar Arabisch voorbeeld gebruiken veel Afrikaanse overheden olie-inkomsten om een steeds uitdijende overheid te creëren. Zo’n bureaucratisch waterhoofd levert een relatieve stabiliteit op — zo lang het te betalen is.

In de Golfstaten is de bevolking lui geworden door de jarenlange stroom olie-inkomsten. De steenrijke regeringen verwennen hun trouwe (en getrouwde) onderdanen met dure spullen en mooie huizen. Zo ver is het in Afrika gelukkig nog niet gekomen. Er is nog tijd om het tij te keren en een gezonde economie te baseren op drie D’s: dienstverlening, decentralisatie en digitalisering.

Dienstverlening zorgt in Nigeria al voor de helft van het bruto nationaal product, maar kan in de regio nog stevig groeien. Het is een teken aan de wand dat in Londen meer Afrikaanse bedrijven zijn genoteerd dan in Lagos of Nairobi. Decentralisatie stelt Afrika in staat om grote problemen in het klein aan te pakken, bijvoorbeeld door lokale energieopwekking en een goede dekking voor mobiele telefonie. Dat laatste sluit aan op de derde D: tussen het rijke noorden en Afrika gaapt nog steeds een brede digitale kloof. Dat ligt niet alleen aan de slechte infrastructuur maar ook aan buitenissige regelgeving en een gebrek aan kennis. De Wereldbank stelde terecht in het World Development Report 2016, dat afgelopen week uitkwam: ‘De digitale revolutie heeft een sterke analoge fundering nodig.’

Op de Marché des Féticheurs zijn krokodillenkoppen te koop. Volgens de gelovigen maken ze wijsheid en oerkrachten los. Als het helpt, moeten de Afrikaanse leiders er maar een paar aanschaffen. Als het ritueel ze inspireert om andere hulpbronnen dan olie aan te spreken, zoals de warmte van de zon en het menselijke vernuft, dan komt het continent er wel.

De lieve vrede

15 oktober, 2015 – De vrede is mij lief. Er kwam dan ook een grote glimlach op mijn gezicht toen ik hoorde dat het viermanschap dat relatieve rust bracht in het land waar mijn vader vandaan komt, Tunesië, de Nobelprijs voor de Vrede heeft gekregen.

Deze toekenning bevalt me beter dan de voorbarige uitreiking van de prijs aan Barack Obama in 2009, want diens land is sindsdien oorlogszuchtig gebleven. Amerika is militair actief in diverse werelddelen, Guantanamo Bay zit nog vol vermeende terroristen en de War on Drugs ontwricht een groot deel van Latijns-Amerika.

Daar komt nog een nieuwe oorlog bij en die wordt online gevoerd. Het is nuttig dat Obama met zijn Chinese collega Xi Jinping in onderhandeling is over een akkoord over onlineoorlogsvoering. Een klein voorbeeld van de ernst van het probleem: denktank Chatham House heeft een wereldwijde waarschuwing afgegeven aan nucleaire installaties om de ‘ontkenningscultuur’ van cyberrisico’s te doorbreken. Toch zijn internationale afspraken niet voldoende. Kernenergie en -bewapening zijn alleen relevant op het niveau van staten, maar elke whizzkid met een laptop vormt een potentiële online dreiging.

Mocht het Nobelcomité volgend jaar opnieuw naar een aanmoedigingsprijs voor een Amerikaan neigen, dan draag ik James Comey voor, de directeur van de FBI. Hij zal flink aan de bak moeten. Een onderzoeksrapport van het Center for Strategy and International Studies, gesponsord door softwarebedrijf Mc­Afee, schat dat de mondiale kosten van cybercrime op $ 400 mrd, ongeveer het bnp van Oostenrijk, of ongeveer 15% tot 20% van de totale waarde van de interneteconomie. De brief die staatssecretaris Dijkhoff gisteren aan de Tweede Kamer stuurde, bevestigde het beeld: cyberspace is één groot wilde westen.

Als Amerikaanse opper­sheriff heeft Comey een groot probleem en dat houdt weer verband met die andere oorlog, de War on Drugs. Behalve een slordige $ 100 mrd wereldwijd kost die nutteloze oorlog de FBI zijn rekruten. Omdat je drie jaar geen drugs mag hebben gebruikt om in overheidsdienst te komen, heeft de FBI een groot tekort aan geschikte nerds. ‘Ik moet een getalenteerde ploeg inhuren om met die cybercriminelen te wedijveren en sommige van die jongeren willen onderweg naar het sollicitatiegesprek wiet roken’, sprak Comey op een conferentie.

Een particulier bedrijf als iSight Partners dat met meer dan 311 uitstekend betaalde employés onlinerisico’s in kaart brengt voor overheden en bedrijven, staat er lachend bij.

De FBI werft dus onder een steeds jongere doelgroep, in de hoop cyberexperts te rekruteren voordat ze beginnen met experimenten met drugs.

In een bizarre wending van het lot zijn blowende tieners een bedreiging voor de vrede geworden.

Technofobe schizofrenie

5 juni 2015 – Precies twee weken geleden overleed John Forbes Nash jr., een man van wie we in meer dan één opzicht iets kunnen leren. Nash was ten eerste een briljant wiskundige en econoom, die een belangrijke bijdrage leverde aan de speltheorie, waarvoor hij in 1994 de Nobelprijs voor de Economie kreeg. Het naar hem vernoemde Nash-evenwicht wordt bereikt als er voor deelnemers in een spel geen voordeel hebben aan het afwijken van hun strategie. Dit ‘equilibrium’ veronderstelt dat de deelnemers elkaars strategie kennen en rationeel handelen.

Zelf was Nash niet altijd rationeel: hij leed jarenlang aan schizofrenie. Een patiënt die aan deze ziekte lijdt, ziet de wereld volledig anders dan de mensen om hem heen en hij maakt een verwarde indruk. Letterlijk betekent schizofrenie de ‘ziekte van de gespleten geest’, maar die benaming klopt niet helemaal. Met meervoudige persoonlijkheden heeft de ziekte niets te maken, maar met een gebrek aan realiteitszin wél.

Briljant en tegelijk de weg kwijt – die beschrijving lijkt wel wat op het innovatieklimaat in Nederland.

In het artikel ‘Weinig urgentie rond digitalisering in bestuurskamers’, eerder deze week verschenen in deze krant, blijkt dat we in ons land maar weinig doen met de technologische revolutie. Terwijl wereldwijd 12% van de managers bij digitale vernieuwing weerstand van de top van hun bedrijf ondervinden, is dat aantal in Nederland met 20% bijna het dubbele. Het gebrek aan urgentie is zelfs zo nijpend en de investeringen in innovatie zo laag, dat 90% van de cio’s (chief information officers) zegt om te kijken naar een nieuwe baan.

Hoe is dat mogelijk? Iedereen zegt toch dat altijd dat Nederland het zo goed doet? We staan altijd bovenaan op de lijstjes! Dat is inderdaad (nog wel) het geval. Meer dan 40% van de Nederlanders heeft bijvoorbeeld breedbandinternet. Alleen de Zwitsers doen het procentueel beter (60%); het gemiddelde van de Oeso ligt op slechts 27%. Ook op het gebied van de smartphones doen we het prima: 65% van de Nederlanders heeft er een in zijn broekzak, tegenover 60% van de Zwitsers.

Aanvoerder van het laatste lijstje is Singapore, waar maar liefst 85% van de mensen een smartphone bezit, maar in dat land blijft het niet bij een grote liefde voor gadgets onder de bevolking. Singapore behoort tot de categorie ‘stand out’ van een interessant (en voor ons onheilspellend) onderzoek dat eerder dit jaar in de Harvard Business Review verscheen, gebaseerd op onderzoek van de Fletcher School van Tufts University. In dit onderzoek stellen de onderzoekers voor landen een ‘Digital Evolution Index’ (DEI) vast, een getal dat aangeeft hoe goed het land is voorbereid op de digitale economie. Nederland scoort helemaal niet slecht, met 50 punten ongeveer gelijk aan de Verenigde Staten, nog geen 10 punten onder Zweden en Singapore.

Maar nu komt het: aangezien het bij technologie niet om absolute posities maar om verandering gaat, hebben de auteurs de DEI-index afgezet tegenover de verandering in digitale evolutie in de periode 2008-2013. Nu staat Nederland ineens erg ver van Singapore af, wij in het vak ‘stall out’ (‘tot stilstand komen’) en zij in het vak ‘stand out’ (‘uitstekend’). Nederland verliest het momentum, Singapore blijft vanuit een al stevige positie onverminderd investeren in innovatie.

Het is een enorme paradox: aan de ene kant zijn we in het dagelijks leven dol op technologie en laten we ons er graag op voorstaan de vernieuwingen te omarmen, maar aan de andere kant sluiten we ons voor innovatie af. In ons professionele leven zijn we er zelfs bang voor.

Wellicht bevinden we ons in Nederland in een ‘gevangenendilemma’, een spelsituatie met een ongunstig Nash-evenwicht, waarin het voor individuele deelnemers slimmer is om niet samen te werken, terwijl ze er allemaal beter van zouden worden als ze dat wél zouden doen.

Of we zijn inderdaad de weg kwijt en kunnen niet meer rationeel denken. Wellicht lijdt ons land aan technofobe schizofrenie met voor een psychiater herkenbare symptomen: angst, verwarring en wanen.

John Nash leed 35 jaar aan de ziekte voordat hij er goeddeels van genas en tot op hoge leeftijd productief bleef.

Ons land heeft zo veel tijd niet, dus nu is het moment voor een krachtig medicijn: de knop moet mentaal om. Een infuus van flinke investeringen in digitale innovatie vanuit overheid en bedrijfsleven moet daarvoor kunnen zorgen.

Jongeren hebben niet de toekomst, maar juist het heden

Vrijdag 8 mei 2015 – Alweer ruim een jaar geleden stierf, na een lang en productief leven, Shirley Temple. Op vierjarige leeftijd (in 1932!) speelde ze in Baby Burlesks, een serie persiflages van Hollywoodfilms. Twee jaar later won ze een Oscar, als jongste actrice ooit. Later schopte ze het tot ambassadeur in Tsjecho-Slowakije en zat ze in het bestuur van bedrijven als The Walt Disney Company en de Bank of America.

Temple was de uitzondering die de regel bevestigt. De meeste kindsterretjes volgen het supernovamodel: na een korte, hevige periode bezwijkt hun carrière onder zijn eigen druk. Lindsay Lohan, River Phoenix en Macaulay Culkin kunnen of konden erover meepraten.

Er is inmiddels het een en ander veranderd. Bij sterren denkt u wellicht aan Hollywood, maar voor jongeren geldt dat minder. Waarschijnlijk kent u de helderste sterren van vandaag niet, zelfs niet als u het Nickelodeon Magazine of de Girlz! van uw kinderen bijhoudt.

Het Amerikaanse blad Variety publiceerde vorig jaar een onderzoek naar de invloedrijkste figuren onder Amerikaanse tieners. De top-vijf: Smosh, The Fine Bros., PewDiePie, KSI en Ryan Higa. Wie zegt u? Zeg maar eerlijk: van geen van de vijf hebt u gehoord. Het zijn Youtube-sterren die hun bekendheid te danken hebben aan authenticiteit en benaderbaarheid. Johnny Depp en Leonardo DiCaprio moesten het doen met respectievelijk plek 14 en 20. De moraal van dit verhaal: langzaam maar zeker schijnt er een nieuw type ster aan het firmament van de jongeren van nu. De top-downbenadering van het sterrendom, met massamedia als voornaamste bron van informatie, is steeds minder van deze tijd.

De zeventienjarige Nash Grier is de op één na meest gevolgde persoon op Vine. Zijn ultrakorte filmpjes van zes seconden hebben 11 miljoen volgers verzameld. Op Youtube is de twintiger Felix Arvid Ulf Kjellberg onder de naam PewDiePie het populairst; de stadion vullende artiesten Rihanna en Katy Perry komen gezamenlijk nog niet aan zijn 36 miljoen ‘subscribers’.

Op eigen kracht worden jongeren behalve succesvolle entertainers ook ondernemers van formaat. Nick D’Aloisio verkocht op zeventienjarige leeftijd het door hem geschreven Summly, een app die nieuwsberichten samenvat. Yahoo betaalde hem er $30 mln voor, zodat D’Aloisio de jongste self-made miljonair ooit werd. Shirley, eat your heart out!

Ook in Nederland stijgt het ondernemerschap onder jongeren snel. Meer dan 4.500 jongeren onder de 20 jaar staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, een stijging van bijna 20% sinds vorig jaar. De achttienjarige ondernemer en ‘growth hacker’ Jesse van Doren is een goed voorbeeld. Samen met Neelie Kroes, onvermijdelijk als het gaat om start-ups, organiseerde hij deze week de Holland Innovation Week. Hij hees invloedrijke leeftijdsgenoten op het podium, zoals Amerikaanse app-ontwikkelaar Austin Valleskey (16 jaar) die met Impossible Rush, een denkspelletje, zelfs Tinder achter zich liet en de Britse veiligheidsadviseur en internetondernemer Jonathan Kingsley (15 jaar) die onder andere Uber adviseert.

Wie durft er nog te zeggen dat de jeugd de toekomst heeft? Die opmerking is achterhaald: jongeren hebben het héden in handen. De gebaande paden van weleer blijken ingehaald door de tijd. De regels doen er niet meer toe; de uitzonderingen zijn leidend geworden.

De oude garde staat erbij en kijkt ernaar. Zijn onze scholen wel ingericht op deze jongeren-nieuwe-stijl? Ze geven wel ruim baan aan jongeren die topsport bedrijven en daarvoor een flexibel rooster nodig hebben, maar hoe zit dat met succesvolle jonge internetondernemers?

Belangrijker: onderwijzers zouden wat vaker van plek moeten ruilen met hun pupillen. Van de jonge garde valt wat te leren: hoe je nieuwe technologieën inzet, hoe je op basis daarvan nieuwe bedrijfsmodellen ontwikkelt en hoe je innovatieve samenwerkingsverbanden aangaat, dat weten ze waarschijnlijk beter dan u.

In het bedrijfsleven snappen sommige leiders dit al een tijdje. Al in 1999 werkte Jack Welch, voormalig ceo van General Electric, het concept ‘reverse mentoring’ uit waarbij hij frisse twintigers koppelde aan senior executives om de laatsten iets mee te geven van de technologische veranderingen. De ‘digital natives’ werden gekoppeld aan de analoge dinosauriërs.

Leer van jongeren en maak u zelf dus niet te groot. U weet toch wat er met topzware sterren gebeurt? Die eindigen als zwart gat.

Bittere pil: Van vast naar vloeibaar

11 oktober 2014 – Er staat een leuk filmpje op YouTube van een jongeman die een pan kokend water van zijn balkon op de zevende verdieping gooit. Niemand raakt gewond: voordat het water de grond raakt, is het al sneeuw worden. We bevinden ons dan ook in Siberië en het lied Dodenrit van drs. P gaat aardig op. Terwijl diens hoofdpersoon voortraast richting Omsk in zijn trojka, zingt drs. P: ‘Het vriest een graad of dertig, het is winter en vrij koud’. Van de zevende verdieping tot de begane grond ondergaat het water een verandering van fase: vloeibaar wordt vast; transparantie maakt plaats voor witte kristallen.

Iets omgekeerds gebeurt nu in onze samenleving: onze vastomlijnde structuren wijken voor een nieuwe orde waarin wij als mensen veel vrijer bewegen. Alsof we moleculen zijn in een glas thee. Daarover zo meer, maar eerst terug naar Siberië.

Ik heb ook door Siberië gereisd, gelukkig niet in een trojka maar met de Transsiberische spoorlijn. Daar wordt door de kondoektorsja thee geserveerd uit een grote samovar; uw coupégenoten serveren waarschijnlijk vodka. Ik ben niet in Omsk geweest, maar wel heb ik Novosibirsk uitgebreid kunnen bezoeken, slechts één halte daar vandaan. Het is een uitgestrekte Russische industriestad van beton met weinig opzienbarends, behalve extreem koude winters en het bestaan van een lokale variant van Silicon Valley: Akademgorodok.

Akademgorodok (‘academiestadje’) is ontstaan in de jaren vijftig, in de periode van ‘dooi’ onder Nikita Chroesjtsjov die in de ruimtevaart en andere vormen van innovatie geloofde. Hij zette hier genieën aan het werk om in relatieve vrijheid nieuwe dingen te verzinnen. Ze bedachten bijvoorbeeld een netwerk van computers die de planeconomie van de Sovjet-Unie moest automatiseren. Het idee was een internet avant la lettre dat de starre economische mechanismen zou vervangen door vloeiende verandering.

U raadt het al: dat Sovjet-internet is er nooit gekomen. Chroesjtsjov werd afgezet en diens dooi maakte plaats voor een nieuwe vorst in de vorm van de strenge Brezjnjev die van nieuwigheden weinig moest weten.

Het grote netwerk van computers kwam er later wél en u surft er elke dag op. In Akademgorodok zijn, na een flinke dip toen de Sovjet-Unie instortte, inmiddels de grote jongens als Intel, IBM en Schlumberger neergestreken. De Russische regering investeert er de komende drie jaar 10 miljard roebel (€ 200 miljoen) in de verwachting dat private partijen daar nog het drievoudige zullen bijleggen. Het moet leiden tot twintig R&D-centra (in 2011 waren er nog maar vier) en tientallen start-ups.

Overal ter wereld hebben computers en hun onderlinge verbondenheid de maatschappij inmiddels grondig op zijn kant gezet. In mijn beeldspraak: vloeibaar gemaakt. Deze ontwikkelingen stoppen zoveel energie in ons systeem dat we behoorlijk hard zijn gaan trillen. Voor het organiseren van mensen en kennis maakt de traditionele vaste vorm van een instelling of organisatie dan ook steeds vaker plaats voor de vloeibaarheid en transparantie van het netwerk. Dat is precies wat moleculen doen wanneer ze worden opgewarmd. Antarctica kan erover mee praten; daar verandert het ijs verontrustend snel in water.

Het industriële tijdperk van Ford en Taylor met hun lopende band en strak geplande bedrijven is definitief voorbij. We moeten onze kantoren en andere hokjes uit en het strikte hiërarchische denken bij het vuilnis zetten.

Het fijne van de vloeibare samenleving, door de Pools-Britse socioloog en filosoof Zygmunt Bauman ook wel Liquid Modernity genoemd, is dat u geen Ford of Taylor hoeft te zijn om de wereld te veranderen. Iedereen kan het vanachter zijn computer en binnen zijn eigen netwerk. Dat heeft al geleid tot bedrijven die met twaalf man personeel miljarden waard werden (Instagram) en met een flexibel platform hele branches op hun kop zetten (Airbnb voor de hotelsector, Uber voor taxi’s).

Ook politiek en bestuur kunnen ontdooien en vloeibaar worden. Een interessante ontwikkeling was de afgelopen jaren de opkomst van piratenpartijen in Europa, die ‘stromende democratie’ in willen voeren door middel van burgerfora en on-line panels.

Voor de aloude instituties zijn deze ontwikkelingen een bittere pil. Maar slikken moeten ze die toch. Ze kunnen die in de trein die voortraast op weg naar de toekomst innemen met een kop thee of een goed glas vodka, naar eigen voorkeur.

Na zdorovje!

Werkorganisatie: Hoog tijd voor invoering van de Holacratie

27 september 2014 – Was Henry Ford met zijn efficiënte autofabriek zo’n koploper omdat hij de arbeidsomstandigheden van zijn personeel wilde verbeteren? Welnee: hij moest dat wel doen, omdat de arbeidskrachten in Detroit schaars waren. Ford zette daarom op grote schaal de lopende band in en kon zo met weinig medewerkers toe. Omdat zijn arbeiders het toen al erg saai vonden om op die manier te werken, moest Ford ze wel meer meer betalen. Hij maakte zo op vernieuwende wijze de eerste auto voor de middenklasse en promoveerde en passant zijn eigen werknemers tot die middenklasse zodat ze hun eigen T-Ford konden kopen.

Wat een revolutionaire ontwikkelingen! Het is inmiddels al wel even geleden en de wereld heeft niet stil gestaan. Automatisering is de lopende band ontgroeid en robots hebben het meeste werk in de fabriek op zich genomen. In plaats van monotoon werk in de fabriek willen de meeste werknemers worden uitgedaagd.

Tijd voor iets nieuws dus, maar waarom lijkt ons kantoorleven dan nog zo op Fords industriële werkwijze? In zowel de gebouwen als de processen is de ouderwetse fabriek nooit ver weg. We gaan om 9 uur achter ons bureau zitten en om 17 uur mogen we weer weg. Zoals de vroegere werknemer van Ford een vastomlijnde taak kreeg, laat onze huidige functieomschrijving vaak maar weinig ruimte voor creativiteit. Tot overmaat van ramp worden we ook fysiek in een hokje gestopt.

We lopen achter: Ford en zijn tijdgenoot Taylor, die het productieproces tot de kleinste details ontrafelde en efficiënter maakte, hebben het nog altijd voor het zeggen. Tijdens de presentatie die Lisette Ros gaf ter gelegenheid van haar afstuderen aan kunstacademie ArtEZ Masters, besefte ik hoe erg het eigenlijk is. Ze had zichzelf acht uur lang, louter zittend in een kantoor gefilmd. Ze speelde de video versneld af terwijl ze haar presentatie hield. Deze merkwaardige film, samen met Lisettes verhaal over de conventies van het huidige kantoorleven, deden me eens te meer beseffen dat werken in organisaties een stuk moderner kan. Maar hoe?

Een welsprekend antwoord op die vraag is het begrip holacratie, populair gemaakt door Brian Robertson die er een ‘constitutie’ voor schreef en nu bezig is met een boek. Holacratie is een manier om bedrijven te organiseren zonder traditionele managers en functieprofielen, en baseert zich op overlappende, zelforganiserende teams die in het jargon cirkels worden genoemd.

On-line schoenen- en kledinggigant Zappos is deze werkwijze aan het invoeren. Tony Hsieh heet geen ceo meer, maar ‘ratificeerder van de holacratieconstitutie’ en ‘lead link’ van de centrale cirkel. Het gaat het bedrijf voor de wind. Ik vind dat een hoopvolle gedachte en geloof dat het tijd wordt om de schotten in organisaties letterlijk en figuurlijk weg te breken. Ik geef alvast vier tips om mee te beginnen.

Ten eerste: verander het kantoor in een plek waar mensen elkaar ook daadwerkelijk ontmoeten en ze elkaar bovendien inspireren. Het uitwisselen van roddels bij de waterkoeler en eens per jaar samen survivallen is daarvan absoluut geen doelmatige invulling. Diverse ruimtes met verschillende atmosfeer en uitstraling zijn al een stap in de richting, waaronder een lounge waarin je een fatsoenlijke cappuccino kunt drinken. Vergaderen doe je natuurlijk altijd staand, want dat houdt de vaart erin.

Een tweede tip vond ik in Lisette Ros’ afstudeerverslag: hang kunst op in de toiletten. Het natuurlijke rustmoment zorgt voor contemplatie en inspiratie. Zo gebruiken uw werknemers ook die tijd nuttig zonder dat ze ergens toe gedwongen worden.

Een derde tip waar ik als reiziger erg enthousiast van word: besef dat het niet uitmaakt of een werknemer zijn of haar e-mail op het strand wegwerkt of op kantoor. Het is precies even waardevol. Part-time thuis of waar dan ook werken heeft de toekomst.

Tot slot: bied mensen een oprotpremie als ze na een jaar willen vertrekken. Dat is een uitstekende manier om mensen juist gemotiveerd te houden. Dit idee is door ceo Jeff Bezos ingevoerd bij Amazon, sinds 2009 het moederbedrijf van Zappos.

Het zou me niets verbazen als historici die over vijftig jaar terugkijken op de eerste helft van de 21ste eeuw de holacratie noemen als voornaamste ontwikkeling in het denken over organisaties. Weg met het fordisme en het taylorisme – het is hoog tijd voor het robertsonisme!

Online meekijken

11 september 2015 – De jongens zijn murw gebeukt. Wat twee weken geleden was begonnen met veel bravoure en energie, mondde uit in het beeld van twee jongens van 28 en 31 die uitgeput op de bank hangen, een beetje gamen en laat uit hun bed komen.

Deze jongens zijn geen lid van het verslagen Nederlands elftal. Het zijn VPRO-programmamakers Nicolaas Veul en Tim den Besten, die zichzelf met hun project ‘Super Stream Me’ drie weken lang, 24 uur per dag wilden blootgeven op een livestream: met als motto ‘alles voor de likes’, alles met de kijker delen. En daarmee bedoelden ze ook echt alles.

Als onderzoeker van de tijdgeest ken ik het genre van het online-exhibitionisme al langer dan vandaag. In 1996 begon ene Seth uit het Amerikaanse Phoenix (toen vijftien jaar) met het vastleggen van zijn leven per webcam.

Het ging eerst nog om een plaatje dat zich elke paar seconden ververste, zonder geluid. In 1999 was de technologie zo rijp dat ‘Webseth’ vanuit zijn jongenskamer video en audio kon streamen én hijzelf oud genoeg was om zijn hele leven te laten zien zonder wettelijke beperkingen. Huiswerk maken, chillen met vrienden en seks met zijn vriendin: de wereld mocht meekijken.

Het achteloze exhibitionisme van Webseth fascineerde me mateloos. Het staat in schril contrast met het schreeuwerige Big Brother dat in 1999 voor het eerst op de Nederlandse televisie kwam. Zo’n opgewonden spelletje vond ik maar niks, maar het gewone leven van Seth kon ik gemakkelijk vergelijken met mijn eigen, bij vlagen nogal saaie studentenbestaan — een hele troost.

Op Twitter heeft Seth het inmiddels over ‘Life Casting 5.0’. Dat houdt in dat je kunt meekijken hoe hij Battlefield 4 op de PlayStation speelt. Het pikante deel van zijn leven staat achter een betaalmuur, want de schoorsteen moet roken. Seth bleef er kalm onder, maar de jongens van de VPRO zijn doodop: de continue aanwezigheid van de camera is bijna ondraaglijk. Seth kon nog naar buiten als hij alleen wilde zijn en ook op de wc wist hij zich onbespied.

De totale transparantie van Super Stream Me is geïnspireerd door het boek The Circle van Dave Eggers. Het grote IT-bedrijf in het boek heeft als slogans ‘geheimen zijn leugens’ en ‘privacy is diefstal’. Voor de Nederlandse tv-makers is privacy geen diefstal, maar ben je juist zónder privacy je leven kwijt. Nicolaas zei het zo tijdens een sessie met zijn psycholoog, die iedereen live kon volgen: ‘Ik kan mezelf niet meer filteren. Mijn schild naar de buitenwereld is aan het uitgaan. Daardoor komt alles binnen.’

Dat moesten de jongens ’s nachts verwerken. De nachten werden steeds langer, tot ze na 15 dagen, 1 uur en 23 minuten de camera’s uitzetten vanwege de ‘te heftige invloed van het gebrek van privacy’. Transparantie mag vermoeiend zijn, het is ook een groot goed, bijvoorbeeld om de macht te controleren. Van mij zouden politieagenten op patrouille uitgerust mogen worden met een camera, zodat een rechtszaak minder vaak uitloopt op een welles-nietesspelletje tussen verdachte en politieagent.

In Rusland rijden miljoenen automobilisten rond met een ‘registrator’, een dashboardcamera die alle ritten filmt en daarmee een tegenwicht moet bieden tegen corrupte politieagenten die lukraak boetes uitdelen. Het leidt tot hilarische compilaties van de chaos op de Russische wegen, maar onderstreept ook het belang van transparantie van het gezag.

Vorig jaar zei koning Willem-Alexander in de troonrede al dat we leven ‘in een tijd waarin iedereen de wereld via de smartphone in zijn hand heeft.’ Het is natuurlijk fantastisch dat burgers daardoor beter zijn geïnformeerd en de overheid beter verantwoording aflegt, maar er is een grens. Af en toe moeten de camera’s ons met rust laten, zodat onze samenleving niet dodelijk vermoeid raakt, geheel murw geslagen zoals het VPRO-duo. In tijden van transparantie blijft privacy wezenlijk voor onze menselijkheid.

Daar moet de koning over kunnen meepraten. Eergisteren stak hij nog zijn tong uit tegen schoolkinderen die hem filmden en sprak hij: ‘Kijk elkaar eens in de ogen, dat is veel leuker.’ Met de Media­code stelt hij bovendien een duidelijke grens tussen publiek optreden en de privésfeer van de koninklijke familie.

Hopelijk trekt hij in de nieuwe Troonrede ook zo’n rode lijn voor zijn onderdanen. Daarvoor is het de hoogste tijd.

Gaten in de wet

5 november 2015 – Wat hebben een 3D-geprinte drone, een Amsterdamse Uber-taxi en een camper bij Egmond met elkaar gemeen?

Ze kunnen zich voortbewegen, maar daar doel ik niet op.

Alle drie leggen ze uitdagingen bloot van het huidige tijdsgewricht. Dat leg ik zo uit, maar eerst gaan we naar China. Koning Willem-Alexander had vorige week bij zijn speech voor de China Executive Leadership Academy een goed punt. Op de vraag hoe een klein land als Nederland zich had weten te ontwikkelen tot een groot exporteur met een welvarende bevolking, antwoordde hij: ‘Onafhankelijke rechtbanken en onafhankelijke inspectiediensten garanderen dat de burgers eerlijk en volgens de wet worden behandeld en dat mensenrechten worden gerespecteerd.’ De opmerkingen kregen direct het label ‘mensenrechten’ — terecht, gezien China’s staat van dienst. In dezelfde week publiceerde Freedom House het ‘Freedom on the Net’-report waarin staat dat China het meest onvrije internet op de planeet heeft en daarmee zelfs Syrië en Iran verslaat. Een prestatie van formaat, zoals in China alles groot is.

Onze welvaart hebben we inderdaad grotendeels te danken aan een goed functionerende rechtsstaat en betrouwbare, zij het soms wat uitvoerige regelgeving. Door snelle innovatie vallen er echter gaten in de wet. Daarmee kom ik terug op drone, taxi en camper. De drone, die iedereen bijna gratis met een 3D-printer zelf kan maken, stelt ons bijvoorbeeld de vraag wie precies de eigenaar is van het luchtruim en of je vrijelijk foto’s vanuit de lucht mag maken. En kan Google met drones zo maar pakjes laten bezorgen, zoals het vanaf 2017 wil gaan doen? De Uber-taxi baseert zich op een slim platform dat een oude branche, gestoeld op licenties en voorschriften, op zijn achterste benen laat staan. De camper bij Egmond slaat op de jarenlange huisvesting van klokkenluider Ad Bos die brodeloos raakte. Via een hack of op een usb-stick leg je nu razendsnel overheids- of bedrijfsgeheimen bloot.

De drie casussen vragen om ethische discussies: hoe gaan we om met privacy, kleinschalig initiatief en overheidstransparantie? Dat is voor burgers lastig, omdat het menselijk brein de aard en snelheid van vernieuwing nauwelijks aankan. Voor het collectieve brein geldt dat al helemaal. Het lompe openbaar bestuur loopt met wetten en regels hopeloos achter feiten aan. Bedrijven maken al gebruik van wat Deloitte ‘RegTech’ noemt, software om met ingewikkelde regulering om te gaan.

Het ideaal van Gandhi, van huis uit jurist, dat wetten ‘gecodificeerde ethiek’ zijn, is verder weg dan ooit. Met Kerstmis, een instituut dat op lelijke kerstversiering na de afgelopen decennia nauwelijks innovatie zag, heeft de koning een uitgelezen kans om daar in zijn toespraak dieper op in te gaan.

Innovatietoets: Naar anti-disciplinair onderwijs

31 januari 2015 – Op school wordt een sponsorloop gehouden tegen obesitas. Bliksem krijgt €1,20 per gelopen kilometer van zijn oom en tante. Zaharulah krijgt €10 van haar moeder mee, maar steekt de helft in eigen zak. Van de buren krijgt Liberty-Grace €1 voor elke selfie die ze met een van de sporters maakt. Hoe hoog is de omzet van de banketbakker op de route van de sponsorloop?

Volgens de tegenstanders van de verplichte rekentoets staat de ‘Fyra van het onderwijs’, zoals de Telegraaf kopte, vol met zulke maffe en onoplosbare problemen. De voorstanders, met bewindslieden Sander Dekker en Jet Bussemaker aan kop, willen met de toets scholen en leerlingen prikkelen om de bedroevende rekenvaardigheid op te krikken.

Als je de opgaven bekijkt kom je er snel achter dat het twee voor twaalf is. Het is moeilijk voor te stellen dat duizenden leerlingen voor deze eenvoudige sommetjes (al dan niet met een verhaaltje) ook met vier herkansmogelijkheden geen voldoende scoren. Alle hens aan dek, zou ik zeggen, maar op dit moment lijkt de vraag vooral hoe we de lat nóg lager kunnen leggen. Zogenaamd om onze kinderen hun toekomst niet af te nemen.

Sander Dekker wil immers dat je de toets móet halen om een diploma te krijgen. Scholen, leerlingen en ouders vinden het te vroeg voor zo’n toets. Ze vinden dat eerst moet het onderwijs op orde moet zijn en zetten vraagtekens bij de opzet van de toets. Gelukkig zijn alle partijen het erover eens dat het onderwijs in het algemeen en het rekenonderwijs in het bijzonder, veel beter kan.

De grote vraag is hoe. Een verplichte toets biedt hooguit een prikkel, maar maakt het onderwijs niet beter. Daarvoor is visie nodig. Het debat moet gaan over de toekomst van het onderwijs in brede zin, terwijl nu het politieke steekspel rond een specifieke maatregel van bovenaf centraal staat.

De bewindslieden zitten gelukkig niet stil. Voor de basisscholen en het voortgezet onderwijs heeft staatssecretaris Dekker een ‘nationale dialoog’ onder de titel #onderwijs2032 gelanceerd. Minister Bussemaker organiseert sinds het najaar van 2014 met universiteiten en hogescholen een serie bijeenkomsten over het hoger onderwijs van de toekomst.

Die discussies zijn cruciaal omdat we, ondanks periodieke hervormingsrondes, ons onderwijs nog steeds grotendeels organiseren alsof de Industriële Revolutie net achter ons ligt. Vakjes en de hokjes overheersen, met jongeren die in partijen van 30 van de lopende band rollen met een gestandaardiseerd stempeltje. Leerlingen worden opgedeeld in gelijke groepen en de dag in gelijke brokken tijd, waarin een inhoudelijke specialist ze in zijn vak onderwijst. Zo gaat het al sinds de 19e eeuw en u en ik zijn er groot mee geworden. Maar in een dynamische samenleving, waarin de nodige competenties voor succes per vijf jaar zullen veranderen, is dat niet genoeg.

Het kan ook anders. De zeventienjarige scholier Nikhil Goyal uit New York schreef het boek One Size Does Not Fit All: A Student’s Assessment of School. De jonge hoogvlieger stelt aan de kaak hoe scholen omgaan met een van de meest waardevolle eigenschappen waarover bijna alle jongeren beschikken: creativiteit.

‘Scholen kunnen niet eenvoudigweg een ‘creativiteitsuur’ instellen en dat is het dan’, zegt hij en stelt voor Engels, wiskunde en geschiedenis af te schaffen. In plaats daarvan wil hij het onderwijsprogramma inrichten rondom grote ideeën, vragen en het lastig te vertalen ‘conundrums’, de grote raadsels van het leven. Goyal wil anti-disciplinair onderwijs, een term van Sandy Pentland van het MIT Media Lab, waarin we allemaal veranderlijke, geletterde systeemdenkers zijn die problemen kunnen oplossen, vragen kunnen stellen en een onderwerp kunnen analyseren.

Bewindslieden, instellingen, docenten, ouders en natuurlijk leerlingen en studenten moeten nu de strijdbijl begraven en gezamenlijk het Nederlandse onderwijs zo inrichten dat jongeren geïnspireerde, 21e eeuwse veranderaars mét de nodige bagage en vaardigheden worden. Eindexamens op basis van nationaal vastgestelde curricula zetten we waar mogelijk bij het oud papier.

Intussen pleit ik wél voor een verplichte innovatietoets. Niet voor leerlingen, want die veranderen en vernieuwen al uit zichzelf, maar voor de scholen. De vraag is dan natuurlijk: hoe ziet die toets eruit? Dat moeten we nog zien, maar in elk geval met een aansprekend verhaal en zeker geen kaal sommetje.